Articles

Joshua de Zoon van Nun (3): Hoe hij begunstigd werd (Num 27.18-23)

Zijn wijding aan het leiderschap

De bediening van Mozes liep nu ten einde. De prijs van het niet juist handelen volgens de geopenbaarde wil van God is zeer kostbaar, en wij doen er goed aan om de handelwijze van de Heer met Mozes te overwegen. Zijn ongehoorzaamheid door niet tot de rots te spreken om water voort te brengen (Num. 20,11) was de gebeurtenis die hem ervan weerhield Israël in het Land van Belofte te brengen. Maar al te vaak zien wij de noodzaak van impliciete gehoorzaamheid niet in, en denken wij dat voor God alles volstaat, als het maar dicht genoeg bij de waarheid is. Dit voorval leert ons dat wij ons zonder afwijking aan de wil van God moeten houden, of het kan grote gevolgen hebben, vooral bij de rechterstoel van Christus.

De mislukking van Mozes bedierf een prachtig type van het werk van de Here Jezus. De eerste keer dat Mozes op de rots sloeg (Ex 17,6) was het een scherp rotsblok en sprak van de Christus van God die aan het kruis geslagen werd om het goede van de Geest van God voor de Zijnen binnen te brengen. Bij de gelegenheid (Num 20,10-11) die Mozes verhinderde Kanaän binnen te gaan (Num 27) was het een hoge rots en spreekt van Christus in verheffing. De verheven Heer zal niet meer geslagen worden en Mozes bedierf een heerlijk type.

Betaling zal God niet tweemaal eisen, Eerst aan mijn bloedende borgs hand, en dan weer aan de mijne. (Augustus Toplady)

Bij de eerste gelegenheid, toen Mozes de rots sloeg, werd Jozua voorgesteld, dus bij deze tweede gelegenheid wordt Jozua opnieuw naar voren gebracht om de leiding van het volk op zich te nemen. Het is nu niet om Amalek te bestrijden, maar om de confrontatie aan te gaan met de reuzen die hij veertig jaar eerder had gezien en die nu een hindernis voor hem zouden zijn. Mozes vertegenwoordigt de wet, en de wet kan ons niet in de zegeningen van God brengen. Het moet een Jozua zijn, die, zoals wij zullen zien, een duidelijk type van Christus is.

De wijding van Jozua tot leider hield een aantal dingen in, die hem kenmerkten voor zijn toekomstige bediening. Ten eerste merken we op dat het een goddelijke roeping was (v.18) die hem afzonderde voor het werk van God. Jozua nam niet de verantwoordelijkheid op zich om de Israëlieten naar het vlees te leiden, zoals Abimelech in Rechters 9 deed. Deze laatste was een man die de voorrang zocht tegen elke prijs, zelfs tot de slachting van zijn broeders. Het volk kon hem niet ten val brengen totdat het God behaagde dat een vrouw “een stuk van een molensteen op Abimelechs hoofd liet vallen” (9,53) in de strijd rond Sichem. Helaas zijn er vandaag de dag nog zulke mensen onder ons en we moeten ze in Gods handen laten.

De roeping van Jozua was totaal anders – het was de Heer die hem aanstelde en dit aan Mozes bekend maakte. Hij werd door God zelf op de voorgrond gebracht. Het was niet alleen een goddelijke roeping, maar een definitieve roeping. Er was geen misverstand over het feit dat de Heer verlangde dat Jozua, en niemand anders, dit werk zou doen. Mozes werd geboden: “Neemt u Jozua, de zoon van Nun” (vs.18). Dit was niet een “ieder mens” bediening, noch was het volgens Mozes. Soms vinden we mannen die door mensen zijn gekozen en geen goddelijke goedkeuring hebben voor het grote werk van het leiden van Gods erfenis. Met Jozua is geen fout gemaakt over wie Gods man moest zijn om het volk in het land te brengen.

Joshua wordt ook gezien als een vroom man, “in wie de geest is” (v.18); zo is deze man van God. Zijn ervaringen om met Mozes op de berg te zijn, om met Mozes tegen de zonde van de volken te staan en om in de tabernakel te verblijven (Ex 33,11) openbaren de geestelijke aard van Jozua, en we zien nu dat het was omdat, zoals hierboven opgemerkt, hij een man was “in wie de geest is”. Jozua is één van velen in het Oude Testament die vervuld waren met de Geest, zoals Johannes de Doper (Lc 1,15), zijn moeder (Lc 1,41), en zijn vader (Lc 1,67), die allen tot de oudtestamentische economie behoren. Het verschil in de twee perioden van Gods handelen met de mensen is dat in het Oude Testament de Heilige Geest hen kon verlaten die met de Geest vervuld waren, terwijl in deze tegenwoordige tijd “Hij bij u woont en in u zal zijn” (Joh 14,17).

Wanneer we bij vs.19 komen, wordt Jozua gekenmerkt als een toegewijd man. Hij wordt gesteld voor het aangezicht van Eleazar de priester en voor het aangezicht van de gehele gemeente, en men ziet een man die onder priesterlijke leiding gaat wandelen. Het vlees heeft geen plaats in de dingen van God en zij die de teugels van het leiderschap in handen nemen, moeten zich op een toegewijde en geestelijke manier bewegen, zodat het hele volk het kan zien. Wanneer hij het land aan het volk moet verdelen, moet dat opnieuw gebeuren met een priesterlijk oog dat toekijkt en helpt de wil van God te openbaren (Num 34,16-17).

We zien in het volgende vers (v.20) hoe hij een aangewezen man wordt. Mozes moet “iets van uw eer op hem leggen”. Dit herinnert aan de gelegenheid waarbij de mantel van Elia werd opgenomen door Elisa, die, voortgaande, het water van de Jordaan sloeg om hem in staat te stellen over te gaan (2 Koningen 2,14). Jozua zou spoedig op dezelfde wijze handelen voor de Israëlieten om over te gaan naar het Beloofde Land. Wat er ook plaatsvond tussen Mozes en Jozua (want ons wordt niet verteld wat er gebeurde), het werd klaarblijkelijk uitgevoerd in het midden van het volk, want het was, “opdat de gehele gemeente der kinderen Israëls gehoorzaam zou zijn”. Zij moesten erkennen dat Jozua nu de officiële leider was, en dat de verantwoordelijkheid om hen in hun erfenis op te nemen op hem rustte.

Om het leiderschap op zich te nemen moet zo’n man een afhankelijk man zijn, iemand die zoekt naar goddelijke leiding bij alles wat hij wil volbrengen. Het is voor dit doel dat “hij zal staan voor Eleazar, de priester, die raad voor hem zal vragen na het oordeel van Urim voor het aangezicht des Heren” (v.21). In tegenstelling tot Esau, die in het vlees bewoog om alles te verliezen wat hij had moeten ontvangen, moet Jozua zich laten leiden door de Urim die zich in de borstplaat van de hogepriester bevond. Deze steen moest het doel van God voor de heiligen onthullen in elke omstandigheid waar zij doorheen moesten gaan. Jozua zal geen verantwoordelijkheid op zich nemen zonder eerst de gedachten van de Heer te zoeken bij de hogepriester. Het was de Heer die de weg zou wijzen: “Op zijn woord zullen zij uitgaan, en op zijn woord zullen zij ingaan, hij en al de kinderen Israëls met hem, de ganse gemeente”. Als de wil van God tot stand zou worden gebracht, dan moesten allen zich bewegen volgens de goddelijke openbaring. Wij zijn geroepen tot “gehoorzaamheid … aan Jezus Christus” in onze bekering (1 Petr. 1,2). Wij zien dat de Heer alleen de wil van de Vader voor zich had toen Hij zich in deze wereld bewoog. Als wij iets voor God willen doen, zoals Jozua deed, moeten wij altijd de wil van de Heer zoeken voordat wij ons aan enig werk voor Hem wagen. Wat de gemeente betreft, moeten wij ons altijd bewegen naar Zijn geopenbaarde wil. Velen schijnen de rechte weg des Heren te verlaten en maken elk excuus voor hun daden.

We vinden nu dat Jozua voor het volk wordt gesteld als een getoond man (verzen 22-23). Mozes gaf het voorbeeld van gehoorzaamheid toen hij “deed wat de Here hem gebood”. Deze uitdrukkingen moeten een bron van leiding voor ons zijn, waardoor wij ernaar streven ons altijd alleen te bewegen volgens de wil van God. Bij het aanwijzen van Jozua als de volgende leider valt op dat hij, voordat hij voor het volk werd gesteld, voor Eleazar de priester moest staan (verzen 19,21,22). Deze campagne is niet van mensen, zij is volgens God, en alle dingen met Hem moeten worden uitgevoerd met priesterlijke onderscheiding, waarbij de geest van God in onze bewegingen wordt herkend. De hand van lof wordt gezien en de wil van God wordt vervuld in Joshuas wijding.

Wordt vervolgd.

Geef een antwoord

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd.